Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB2695

Datum uitspraak2007-09-04
Datum gepubliceerd2007-09-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers811453-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte heeft opzettelijk geheimen geschonden door vertrouwelijke informatie, die hem als fractievoorzitter van de politieke partij Lijst Smolders Tilburg bekend was geworden, naar buiten te brengen.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 811453-07 vonnis van de politierechter d.d. 4 september 2007 in de strafzaak tegen [naam verdachte] geboren op [datum en plaats], wonende te [adres], raadsman mr. Milo, advocaat te Tilburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Harderwijk, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk geheimen heeft geschonden door vertrouwelijke informatie, die hem als fractievoorzitter van de politieke partij [naam[verdachte] Tilburg bekend was geworden, naar buiten te brengen. 3 De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding is in geschil De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het eerste gedachtestreepje onder feit 2 nietig dient te worden verklaard. Het gaat om wachtgeld, maar niet duidelijk wordt aangegeven om welk verslag of welke verslagen het gaat. De dagvaarding is zodanig vaag en weinig feitelijk omschreven op dit punt dat deze niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van strafvordering. De politierechter overweegt dat wel is aangeven in de dagvaarding welke verslagen het betreft namelijk de verslagen van het vertrouwelijk gedeelte van de vergadering van het raadspresidium van 2005. De dagvaarding bezien in samenhang met het dossier maakt ook voldoende duidelijk welke openbaarmaking van verdachte het betreft, namelijk wat is opgenomen in het persbericht van 9 mei 2006 onder de kop:”Wat heb ik bewust naar buiten gebracht m.b.t. Wachtgeld”. De politierechter is van oordeel dat de dagvaarding ook op dit punt geldig is. 3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie is in geschil De raadsman heeft betoogd dat onder het vierde gedachtestreepje van feit 2 hetzelfde feit is ten laste gelegd als onder feit 1. Bovendien overlappen de feiten elkaar in tijd, in ieder geval voor wat betreft 26 april 2007. Het is in strijd met de beginselen van een behoorlijk procesrecht om hetzelfde feit in één tenlastelegging meermalen ten laste te leggen, zodat het openbaar ministerie ten aanzien van dit gedachtestreepje niet ontvankelijk moet worden verklaard. De politierechter overweegt dat geen sprake is van vervolging voor hetzelfde feit nu feit 1 ziet op de openbaarmaking door middel van persberichten van de vragen ex art. 47 Reglement van Orde en het vierde gedachtestreepje van feit 2 ziet op de openbaarmaking door middel van het persbericht met als kop: “vertrouwelijke stukken nu geheel openbaar na aangifte tegen Raadslid [verdachte] uit Tilburg”. Dat de beide openbaarmakingen dezelfde passage uit het vertrouwelijke gedeelte van een verslag betreffen, doet hier niet aan af. De officier van justitie is ook op dit punt ontvankelijk. 3.3 De overige voorvragen De politierechter is bevoegd. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht. 4.2 De bewijsoverwegingen Het standpunt van de verdediging Verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem tenlastegelegd is onder het eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepje van feit 2. Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje wordt het volgende aangevoerd. Uit een schrijven van de gemeente Tilburg van 2 mei 2006 blijkt dat de vertrouwelijkheid met betrekking tot de stukken over de wachtgeldkwestie was opgeheven in de tenlastegelegde periode, zodat geen bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan volgen. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje wordt het volgende aangevoerd. Er is geen verslag van het lokaal driehoeksoverleg concernstaf van 25 januari 2006 dat behandeld is tijdens het vertrouwelijk deel van de vergadering van het raadspresidium van 26 februari 2007. Dat blijkt noch uit de agenda voor die vergadering noch uit het verslag van die vergadering. Daarnaast lijkt het niet voor de hand liggend dat het verslag van 2006 meer dan een jaar later behandeld zou worden. Als er al een dergelijk verslag is, bevindt het zich niet bij de stukken zodat, wat de verdediging betreft, zonder verder inhoudelijke discussie op dit punt in ieder geval vrijspraak moet volgen. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje wordt het volgende aangevoerd. Er is geen vertrouwelijke informatie naar buiten gebracht uit het verslag van het raadspresidium van 4 september 2006. De mededelingen die [verdachte] heeft gedaan op de website van LST zijn niet te herleiden op het verslag van 4 september, zodat ook hier vrijspraak dient te volgen. Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje wordt het volgende aangevoerd. In de dagvaarding wordt verwezen naar een verslag van 18 december 2006 dat zich niet bij de stukken bevindt en derhalve niet inhoudelijk getoetst kan worden. Dit verslag zou zijn behandeld op de vergadering van het raadspresidium van 26 februari 2007. Uit het verslag van deze vergadering blijkt echter niet over enig onderwerp waaraan [verdachte] op zijn website refereert te zijn gesproken. Ook van dit feit dient [verdachte] te worden vrijgesproken. De verdediging betwist dat sprake is van schending van een geheim als bedoeld in artikel 272 Wetboek van strafrecht. De in de tenlastelegging genoemde naar buiten gebrachte informatie heeft het predicaat “vertrouwelijk” gekregen. Daarmee kan die informatie echter niet als geheim worden gekwalificeerd in de zin van artikel 272 Wetboek van strafrecht. Subsidiair wordt aangevoerd dat die informatie op het tijdstip van het naar buiten brengen niet meer als zodanig had te gelden. De gemeente Tilburg maakt geen onderscheid tussen geheime stukken en vertrouwelijke stukken. Bij zijn aantreden als gemeenteraadslid heeft [verdachte] persoonlijk uitgereikt gekregen het boekje “Raadsleden 2006 info”. In dat boekje wordt onder het kopje “Wet Openbaarheid van Bestuur” ondermeer opgemerkt, "als op een raadsstuk de term “vertrouwelijk” staat, is dit niet hetzelfde als “geheim”. “Schending van vertrouwelijkheid is dan ook niet strafbaar”. Nu vaststaat dat van de door [verdachte] geopenbaarde informatie niet ontleend is aan enig stuk waaraan de kwalificatie “geheim” is toegekend dient deze omstandigheid primair tot vrijspraak te leiden. Subsidiair dient vrijspraak te volgen omdat niet bewezen kan worden dat [verdachte] opzettelijk een geheim geschonden heeft. Weliswaar wist hij dat hij informatie naar buiten bracht waaraan op enig moment het predicaat vertrouwelijk was toegekend, hij heeft echter niet geweten noch moeten weten noch beseft noch moeten beseffen dat hij daarmee een geheim in de zin van genoemde strafbepaling schond. Daar was zijn wil ook niet op gericht. Gezien voornoemd handboekje voor gemeenteraadsleden is er een wezenlijk verschil tussen als geheim en als vertrouwelijk gewaarmerkte informatie en er is in dit geval dan ook geen ruimte voor het toepassen van voorwaardelijk opzet. Overigens wordt ten aanzien hiervan het volgende naar voren gebracht. Het predicaat "vertrouwelijk" is toegekend aan gedeelten van verslagen van het raadspresidium. In een vergadering van het presidium van 10 juni 2002 is afgesproken dat al hetgeen daar besproken wordt, voor zover betrekking hebbend op het terrein van openbare orde en veiligheid en voorheen besproken in het vertrouwelijk deel van de raadscommissie openbare orde en veiligheid, vanaf juni 2002 automatisch vertrouwelijk zou zijn. Nu het verslag van de vergadering een concept is betwist de verdediging dat een dergelijke gedragslijn toen aldus is afgesproken. Subsidiair betekent dit echter vertrouwelijkheid als automatisme zonder feitelijke toetsing. Dat staat op gespannen voet met de Wet Openbaarheid Bestuur, waarin uitdrukkelijk wordt aangegeven onder welke omstandigheden informatie niet openbaar gemaakt hoeft te worden en met artikel 25 van de Gemeentewet. Voorts wordt door de verdediging naar voren gebracht dat het Presidium niet bevoegd was een afspraak te maken met betrekking tot het toekennen van het predicaat vertrouwelijk aan verslagen of gedeelten daarvan. In art. 5 van het reglement van orde van de gemeenteraad Tilburg dat dateert van mei 2002 wordt gesproken over het bestaan van het Presidium. Voorts staat daarin dat de taken en de bevoegdheden worden geconcretiseerd via een op te stellen statuut, dat ook nog ter vaststelling aan de Raad moet worden aangeboden. Een dergelijk statuut bestaat echter niet en is nooit tot stand gekomen. Indien die bevoegdheden wel zouden zijn geregeld en daarbij de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent geheimhouding zou zijn opgenomen zou dit in strijd komen met de Grondwet. In de memorie van toelichting bij een wijziging van de Gemeentewet staat ondermeer “de verplichting tot geheimhouding betekent een beperking van de vrijheid van meningsuiting. In verband daarmee moet de oplegging van een geheimhoudingsplicht in overeenstemming zijn met de eisen die art. 7 van de Grondwet aan beperkingen van dit grondrecht stelt. Dat betekent dat de geheimhoudingsplicht moet worden neergelegd in een formeel wettelijke bepaling die de bevoegdheid tot het opleggen van een geheimhoudingsplicht normeert. De grondwetsbepaling laat voorts niet toe dat, bijvoorbeeld, bij gemeentelijke verordening, nadere of aanvullende regels terzake worden gesteld. Dit betekent derhalve dat er een aantal jaren geleden mogelijk en in dat geval in ieder geval onbevoegdelijk is afgesproken om in het vervolg automatisch en zonder concrete toetsing of beslissing al het besprokene in de vergaderingen van het Presidium voor zover betrekking hebbend op het terrein van de openbare orde en veiligheid als vertrouwelijk aan te merken. Nu niet is gebleken dat ten aanzien van de naar buiten gebrachte informatie waar het in casu om gaat een ander besluit danwel een andere afweging ten grondslag ligt, moet worden aangenomen dat het predicaat vertrouwelijk ook in de onderhavige situatie kennelijk op dezelfde wijze derhalve automatisch en zonder concreet besluit tot stand is gekomen en is derhalve geen sprake van een rechtmatig besluit, zodat ook geen sprake kan zijn van een geheim in de zin van genoemde strafbepaling en vrijspraak dient te volgen. Meer subsidiair wordt het volgende aangevoerd. De enige andere mogelijkheid om het predicaat geheimhouding toe te kennen is geregeld in art. 25 lid 2 van de Gemeentewet De burgemeester kan op grond van een belang genoemd in art. 10 van de Wet Openbaarheid van Bestuur, ten aanzien van stukken die aan de raad of aan leden van de raad overgelegd worden, geheimhouding opleggen. Op grond van art. 25 lid 3 van de Gemeentewet kan het in dat geval slechts gaan om een voorlopige geheimhouding die vervalt indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zittinghebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. Hiervan blijkt niets zodat die geheimhouding, reeds voor de openbaarmaking door [verdachte] is vervallen. Ook op grond hiervan dient vrijspraak te volgen. Nog meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat die geheimhouding in dat geval bovendien niet rechtmatig is toegekend en niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling. Ingevolge art. 25 Gemeentewet moet een besluit daartoe gebaseerd zijn op een belang genoemd in art. 10 Wet Openbaarheid Bestuur. Nu ieder concreet besluit of motivering daartoe ontbreekt, geldt dat in concreto de in art. 10 sub 1 en 2 WOB genoemde belangen niet aanwezig zijn. Zodat ook op grond hiervan vrijspraak dient te volgen. Voorts heeft de verdediging nog het navolgende aangevoerd. Het presidium bestaat uit een selectie van raadsleden, namelijk de fractievoorzitters en de burgemeester. Door het presidium kan geen geheimhouding worden opgelegd. Uit art. 82 lid 2 van de Gemeentewet blijkt dat burgemeester en wethouders geen lid kunnen zijn van een raadscommissie. Het presidium kan derhalve niet worden beschouwd als een commissie. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie deelt het standpunt van de verdediging ten aanzien van hetgeen is aangevoerd over het eerste gedachtestreepje van feit 2 en geeft aan voor dit gedeelte van de tenlastelegging tot vrijspraak te zullen requireren. Artikel 272 Wetboek van strafrecht spreekt over het schenden van een geheim. De termen vertrouwelijk (zoals op de documenten geplaatst) en het woord geheim in het wetsartikel hebben dezelfde betekenis. De juridische basis voor het opleggen van geheimhouding is te vinden in artikel 25 lid 2 van de Gemeentewet. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bepaalde stukken die aan de raad of leden van de raad worden verstrekt als geheim te kwalificeren. Dan moet het er wel uitdrukkelijk op staan. In dit geval betreft het stukken waarop uitdrukkelijk vertrouwelijk was vermeld, die bestemd waren voor het vertrouwelijke gedeelte van het overleg van het presidium van de gemeenteraad van Tilburg. De Hoge Raad heeft zich in 2005 uitgesproken over de vraag of de strafrechter moet onderzoeken of de geheimhouding terecht aan de verdachte is opgelegd. De Hoge Raad heeft toen beslist dat 'De vraag of de opgegeven redenen inderdaad noopten tot het opleggen van een dergelijke geheimhoudingsplicht staat ter beoordeling van (...diegene E.H.) aan wie de bevoegdheid tot geheimhouding door de wetgever is verleend. De taak van de strafrechter beperkt zich tot een onderzoek van de vraag of de aan de verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling waarop de geheimhouding is gebaseerd." Ofwel niet de inhoud is van belang, maar de wijze van tot stand komen. Het betreft hier stukken die als geheim/vertrouwelijk zijn gekwalificeerd. Deze kwalificatie is eraan gegeven door degene die daartoe gerechtigd is, ofwel juridisch gezien zijn dit geheimen als bedoeld in artikel 272 Wetboek van strafrecht. Ten aanzien van het bewijs voor beide feiten wordt het volgende gesteld. Naast de aangifte door de heer Vrenken namens de gemeente Tilburg zitten bekennende verklaring van verdachte in het dossier. Op de computer van verdachte en in zijn mappen zijn de stukken waar het in casu om gaat aangetroffen. Beide feiten kunnen derhalve wettig en overtuigend bewezen worden. Het oordeel van de politierechter Ten aanzien van de feitelijke gedragingen: Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje van feit 2 komt de politierechter tot het oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de periode van 26 april 2007 tot en met 9 mei 2007 een passage uit een verslag of verslagen van de vergadering van het raadspresidium van het jaar 2005 betreffende “wachtgeld” naar buiten zou hebben gebracht, terwijl deze als vertrouwelijk waren aangemerkt. Dit alleen al vanwege het ontbreken van bedoelde verslagen van het jaar 2005 in het dossier. Hierdoor kan niet beoordeeld worden of de uitlatingen van verdachte aan bedoelde verslagen zijn ontleend, dit nog los van de vraag of deze verslagen nog wel vertrouwelijk waren in de tenlastegelegde periode. Met betrekking tot het tweede liggende streepje van feit 2 begrijpt de politierechter welwillend dat het hier gaat om de uitlating van verdachte onder het kopje “vertrouwelijk verslag van 25 januari 2006” zoals bijvoorbeeld weergegeven op pagina 311 van het dossier. Onder dit kopje volgt dan dat de voorzitter vindt dat Zino goed in de gaten moet worden gehouden en dat de politie geluiden ontvangt over drugsgebruik en handel en dat nagegaan wordt of dat incidenteel, structureel of ruis is. Bedoeld vertrouwelijk verslag van het driehoeksoverleg ontbreekt in het dossier. In het dossier bevindt zich slechts een enkele pagina 2 van een verslag (document nr. 55 op pag. 319) in beslag genomen onder verdachte, dat deze uitlating van verdachte eveneens bevat en dus bedoeld verslag zou kunnen zijn. Omdat op deze pagina toevallig nog te lezen valt dat agendapunt 4 betreft het vaststellen van het verslag van 25 januari j.l, betreft deze pagina echter waarschijnlijk een later verslag. Ook het verslag van 26 februari 2006 van het presidium waarnaar in de dagvaarding wordt verwezen geeft geen duidelijkheid over wat de losse pagina 2 nu eigenlijk betreft. De politierechter verzucht dat het OM op dit punt in het dossier er onnodig een ondoorzichtige en vooral onvolledige puzzel van heeft gemaakt. Door bedoeld verslag niet in het dossier te voegen kan niet vastgesteld worden dat de kennelijk bedoelde passage afkomstig is van een verslag van het lokaal driehoeksoverleg/ concernstaf en dient vrijspraak te volgen. Met betrekking tot het derde liggende streepje van feit 2 overweegt de politierechter dat hier gedoeld wordt op wat verdachte heeft geopenbaard onder het kopje: “vertrouwelijk verslag van 4 september 2006” zoals bijvoorbeeld weergegeven op pagina 311 van het dossier. Terecht merkt de raadsman op dat het verslag van 4 september 2006, deze passage niet kent. Dit is anders voor de onder verdachte in beslag genomen pagina 320 van het dossier. Het betreft wederom een losse pagina 3 van een verslag. Onder het kopje: “verslagen van het presidium, verslag van 4 september 2006 ( vertrouwelijk)” wordt op verzoek van verdachte het verslag van de vergadering van 4 september 2006 aangevuld. Dit in die zin dat verdachte op 4 september 2006 aanvullingen heeft verzocht op het verslag van de vergadering van 8 mei 2006, naar aanleiding waarvan de burgemeester op de vergadering van 4 september 2006 nog een opmerking over de heer [horeca-exploitant] heeft gemaakt. Gelet op de overige inhoud van pagina 320 van het dossier dient geconcludeerd te worden dat het hier een verslag van het presidium betreft van na 4 september 2006. Het door verdachte geciteerde gedeelte betreft evenwel op 4 september 2006 gemaakte opmerkingen, die als vertrouwelijk zijn aangemerkt, en die in een later verslag zijn opgenomen. In samenhang met de schriftelijke bescheiden ten aanzien van de openbaarmaking en de bekennende verklaring van verdachte bij de rijksrecherche, is het feitelijk handelen als omschreven in het derde liggende streepje wettig en overtuigend bewezen. Ook ten aanzien van het vijfde liggende streepje van feit 2 noodzaakt het dossier onnodig tot een zoektocht en eigen rechercheren. Uit het kopje van de mail/ internetpagina van verdachte: “vertrouwelijk verslag van 18 december 2006 mishandeling bij Zino”op bijvoorbeeld pagina 312 van het dossier en wat daarna volgt, blijkt dat het gaat om een opmerking van Mevr. ...(Justitie) over mogelijk cocaïnegebruik in de Zino. Deze opmerking is terug te vinden op pagina 322 van het dossier, een losse pagina 2 afkomstig van de concernstaf en kennelijk een verslag van het driehoeksoverleg. Op deze pagina is met de pen geschreven “verslag 27 nov”,wat is doorgestreept. Erboven staat met pen “18 dec”. Wanneer nu deze pagina wordt bezien in samenhang met het verslag van het raadspresidium van 26 februari 2006, blijkt het navolgende. Op 26 februari 2007 zijn verslagen van het driehoeksoverleg van zowel 27 november als 18 december besproken. Uit het verslag van het presidium (pagina 39 punt 4) blijkt dat er in het driehoeksoverleg van 27 november 2006 op blz. 1 punt 2 de mishandeling in de Zino aan de orde is gesteld. Nu de door verdachte geciteerde passage “naar aanleiding van pagina 1 punt 2” is gemaakt, moet pagina 322 van het dossier inderdaad het verslag van 18 december 2006 betreffen. Uit het verslag van het presidium en overigens de opmerkingen van verdachte zelf, kan dan weer geconcludeerd worden dat het vertrouwelijke informatie betreft. Dit brengt met zich mee dat ook dit feitelijk handelen, ondanks het ontbreken van het integrale verslag van het driehoeksoverleg in het dossier, wettig en overtuigend bewezen is. Dit laatste geldt eveneens ten aanzien van het feitelijk handelen als ten laste gelegd onder feit 1 en het vierde liggende streepje van feit 2 ten aanzien waarvan geen verweren zijn gevoerd. Heeft verdachte met dit feitelijk handelen ook een geheimhoudingsplicht geschonden? Vertrouwelijk of geheim Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat vertrouwelijk informatie niet hetzelfde is als geheime informatie. Alleen schending van geheime informatie kan leiden tot strafvervolging en dat zou ook het beleid van de Gemeente Tilburg. Dit gezien het boekje Raadsleden info 2006 als ter zitting overgelegd. Dit eerst ter zitting ingenomen standpunt is moeilijk te rijmen met de eerder uitlatingen van verdachte zelf. Verdachte schrijft in zijn stukje dat tot feit 1 heeft geleid dat hij “in het geheim overleg telkens weer de naam [horeca-exploitant] in negatieve zin hoort vallen” ( zie bijvoorbeeld pagina op pag.198). In de begeleidende mail aan [naam journalist] van de Tilburgse Koerier, waarin verdachte verzoekt het stukje te plaatsen, schrijft verdachte:”Ik overtreed wel weer een beetje de regels van geheimhouding....”. Verdachte verklaart voorts in het verhoor bij de rijksrecherche. “Ik heb bewust mijn geheimhoudingsverplichting geschonden”. “U vraagt mij of ik iets wens toe te voegen aan mijn verklaring. Ik antwoord daarop dat ik mij bewust ben van het feit dat ik een misdrijf heb gepleegd..... Natuurlijk had ik een justitieel optreden verwacht.” Voor de vraag wat het beleid is van de gemeente Tilburg en wat verdachte daarvan kon weten bevat het dossier dankzij de eerdere incidenten op dit vlak veel informatie. Uit deze informatie blijkt zonneklaar dat met het predicaat vertrouwelijk door de organen van de gemeente wordt bedoeld dat de betrokken informatie geheim gehouden moet worden en dat door dit niet te doen een strafbaar feit wordt gepleegd. De politierechter wijst in dit verband bij wijze van voorbeeld op: - verslag presidium 8 mei : “NB de gemaakte opmerkingen hebben allemaal betrekking op het vertrouwelijke deel van het verslag; ook hierop rust dus de geheimhoudingsplicht. - Brief van de raadsgriffier van 13 juni 2006 aan de leden van het presidium ten aanzien van de schending van vertrouwelijke mededelingen tijdens de vergadering van het presidium met betrekking tot de moskee: “als de informatie afkomstig is van een van de leden van het presidium is er sprake van schending van de geheimhoudingsplicht, wat, zoals bekend is, een strafbaar feit is” . Vervolgens blijkt uit de brief dat aangifte is gedaan en wordt er op gewezen dat de geheimhoudingplicht nog steeds van toepassing is op de vertrouwelijke informatie. - Verslag van het raadspresidium van 10 april ten aanzien van een eerder incident met verdachte ten aanzien van wachtgelden. Het ging hier om als vertrouwelijk aangemerkte informatie. Verdachte zegt toe in de toekomst de vertrouwelijkheid te zullen respecteren van stukken en informatie, zolang die vertrouwelijkheid gehandhaafd moet blijven. De voorzitter concludeert vervolgens dat, met een dergelijke verklaring, er wat hem betreft geen aanleiding is om aangifte te doen van het schenden van de geheimhoudingsplicht. Voorts geldt dat er ook niet is gebleken dat de gemeente op regelmatige basis daadwerkelijk een onderscheid maakte tussen de vermelding “geheim” en “vertrouwelijk” op stukken. Ook uit wat toch wel inmiddels als vaste rechtspraak kan worden genoemd, blijkt dat geen principieel verschil bestaat tussen als “geheim” of als “vertrouwelijk” aangeduide informatie. De stelling dat het boekje “Raadsledeninfo 2006”, dat door de gemeente Tilburg aan raadsleden ter beschikking is gesteld, door dit ter beschikking stellen, het beleid van de gemeente vormt, wordt afdoende weersproken door het bovenstaande en vindt ook overigens geen enkele steun. Het betreft hier overigens geen handboek van de gemeente Tilburg maar een door Elsevier kennelijk landelijk uitgegeven boekje, waarin praktische informatie veelal aan de hand van een uitleg van de Gemeentewet wordt gegeven. Het boekje staat niet onder redactie van de gemeente Tilburg of een functionaris van de gemeente Tilburg. De passage over geheimhouding is duidelijk aan revisie toe gelet op de vele rechterlijke uitspraken over als vertrouwelijk aangeduide informatie waarbij schending van de geheimhoudingsverplichting is aangenomen in de zin van artikel 272 Sr. Het betreft onjuiste informatie waarvoor Reed Business Information geen aansprakelijkheid aanvaardt. Het onderscheid tussen geheim en vertrouwelijk zoals de verdediging dit ziet, is niet de stand van het recht en het is niet het beleid van de gemeente Tilburg. Dit laatste was voor verdachte gelet op bovenstaande citaten kenbaar en verdachte wist ook wel beter gelet op zijn eigen verklaringen. Wettelijke bevoegdheid Thans is de vraag aan de orde of de geheimhouding wel op basis van een wettelijk voorschrift kon worden opgelegd Gezien het systeem van de Gemeentewet dient eerst beoordeeld te worden om welke informatie het gaat en door wie deze aan wie ter beschikking is gesteld. Er zijn door verdachte gedeelten van twee verslagen van het driehoeksoverleg openbaar gemaakt en een passage uit een verslag van het presidium. De verslagen van het lokaal driehoeksoverleg, een overleg van de burgemeester met onder anderen de officier van justitie en de districtschef, zijn vertrouwelijk toegezonden aan enkele leden van de raad, namelijk de fractievoorzitters. Dit niet ter bespreking in de raad maar in het raadspresidium. Deze verslagen zijn vertrouwelijk toegezonden. Hiertoe bestaat de bevoegdheid op grond van artikel 25 lid 2 Gemeentewet. De verslagen zijn niet aan de raad overgelegd. Zij zijn ook niet in de raad besproken. Het vereiste van bekrachtiging van de geheimhoudingsplicht als opgenomen in artikel 25 lid 3 Gemeentewet geldt dus niet. Het ligt ook niet in de rede dat de raad, die de verslagen niet kent en bespreekt, de geheimhouding van deze verslagen zou moeten bekrachtigen. Hier geldt artikel 25 lid 4 Gemeentewet, de geheimhoudingverplichting blijft van kracht totdat deze is opgeheven door het orgaan dat deze heeft opgelegd. Met betrekking tot het verslag van het vertrouwelijke gedeelte van het raadspresidium geldt evenzeer dat dit vertrouwelijk is toegezonden aan enkele raadsleden door de griffier van het raadspresidium. Wat is de status van het presidium? Dat het presidium geen enkele status heeft is onverenigbaar met het reglement van orde van de gemeente nu dit reglement bepaalt dat de raad een presidium heeft, dat bestaat uit de fractievoorzitters. Besluitvorming vindt plaats via het beginsel van gewogen stemmen. Taak is onder andere het opstellen van de voorlopige raadsagenda. Gelet op dit alles dient het presidium gezien te worden als een raadscommissie. De verdediging stelt dat dit anders is omdat de burgemeester voorzitter is van het presidium en niet een lid van de raad wat niet past in artikel 82 lid 4 Gemeentewet. Er zijn inderdaad ook gemeenten waarin de burgemeester een adviserende functie heeft in het presidium. Dit versterkt de opvatting dat sprake is van een raadscommissie, maar dan een met een mogelijk gebrek. Dit brengt echter niet mee dat geen sprake is van een commissie of dat besluiten nietig zijn. De notulen en dus ook de omstandigheid dat deze gedeeltelijk vertrouwelijk zijn, zijn vastgesteld door het presidium en niet gebleken is dat dit op onjuiste wijze is gebeurd. Op grond van artikel 25 lid 2 en artikel 86 Gemeentewet kan geheimhouding worden opgelegd. Om redenen als hiervoor uiteengezet is bekrachtiging niet vereist. Is van de bevoegdheid op juiste wijze gebruik gemaakt? Allereerst dient beoordeeld te worden of van de bevoegdheid gebruik is gemaakt. Dat is het geval. Op de notulen is telkens vermeld dat deze vertrouwelijk zijn. De notulen van het driehoeksoverleg worden vertrouwelijk toegezonden aan de fractievoorzitters. Zoals nog eens toegelicht in het presidium van 4 september 2006 is hiertoe ook bewust besloten in verband met de aard van de onderwerpen die aan de orde komen in het driehoeksoverleg en het vertrouwelijke gedeelte van het presidium. Het betreffen immers gelet op de aard van het driehoeksoverleg onderwerpen betreffende de veiligheid. Dit raakt onmiskenbaar de belangen van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen als uitgezonderd in artikel 10 van de WOB. De notulen van het driehoeksoverleg worden geagendeerd voor- en behandeld in het vertrouwelijke gedeelte van het presidiumoverleg. De vertrouwelijke notulen van het vertrouwelijke gedeelte van het raadspresidiumoverleg worden vastgesteld in het vertrouwelijke gedeelte van een volgend overleg van het presidium. Gelet hierop is onmiskenbaar van de bevoegdheid gebruik gemaakt. Dat de notulen van het driehoeksoverleg in zijn geheel als vertrouwelijk werden aangemerkt en niet per onderscheidenlijk deelonderwerp is niet in strijd met het recht. Dat niet telkens opnieuw wordt gemotiveerd waarom de notulen als vertrouwelijk worden aangemerkt is onder deze omstandigheden evenmin in strijd met het recht. De conclusie is dat is voldaan aan de formele eisen die de Gemeentewet stelt aan het uitoefenen van de bevoegdheid een geheimhoudingsverplichting op te leggen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 mei 2005 (LJN: AS4610, Hoge Raad, 01290/04) dient de politierechter op deze plaats niet te beoordelen of inhoudelijk gezien de geheimhouding terecht is opgelegd. De conclusie dient dan ook te zijn dat de verweren van de verdediging op dit punt dienen te worden verworpen. De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn z plicht tot geheimhouding op grond van wettelijk voorschrift ten aanzien van een tweetal notulen van het driehoeksoverleg en het vertrouwelijk deel van de notulen van een overleg van het presidium heeft geschonden. Uit hoofde van ambt Het voorgaande heeft betrekking op de vraag of geheimhouding opgelegd kon worden op grond van wettelijk voorschrift. Verdachte bekleedt als lid van het raadspresidium en dus als democratisch gekozen raadslid, gezien ook eerder rechtspraak op dit punt, een ambt. Op grond van het bepaalde in artikel 272 Sr is verdachte niet alleen strafbaar voor de schending van geheimen op grond van een wettelijk voorschrift. Nu verdachte een ambt bekleedt mag verdachte evenmin enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij het moet bewaren schenden. Gelet op de aard van de informatie zelf, de vermelding op de stukken van het woord vertrouwelijk, de behandeling in het vertrouwelijke gedeelte van het presidium en tenslotte de omstandigheid dat verdachte zelf heeft geschreven en verklaart dat hij geheimen openbaarde, is de politierechter van oordeel dat verdachte met zijn handelingen ook de geheimhoudingsverplichting uit hoofde van zijn ambt heeft overtreden. 4.3 De bewezenverklaring De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat 1. hij op tijdstippen in de periode van 01 april 2007 tot en met 26 april 2007 te Tilburg, een geheim waarvan hij wist dat hij dit uit hoofde van ambt te weten lid van het Raadspresidium van de gemeente Tilburg en wettelijk voorschrift verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte vertrouwelijke informatie, te weten een passage uit het verslag van het lokaal driehoeksoverleg/concernstraf (voorzien van het opschrift "vertrouwelijk")d.d. 27 november 2006 (behandeld tijdens het vertrouwelijk deel van de vergadering van het raadspresidium d.d. 26 februari 2007) opgenomen in een schrijven/document (vragen ex. art. 47 Reglement van Orde), gedateerd 17 april 2007 en dat schrijven/document (via email) verstuurd/verzonden naar: - (een) journalist(en) en/of de redacties van de Tilburgse Koerier en het Brabants Dagblad en - een groot aantal personen en omroepverenigingen en mediabedrijven; 2. hij op tijdstippen in de periode van 26 april 2007 tot en met 9 mei 2007 te Tilburg een geheim waarvan hij wist dat hij dit uit hoofde van ambt, te weten lid van Raadspresidium van de gemeente Tilburg, en wettelijk voorschrift verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte vertrouwelijke informatie, te weten passages en/of een gedeelte uit/van: - het verslag van het raadspresidium d.d. 4 september 2006 (voorzien van het opschrift "vertrouwelijk") en - het verslag van het lokaal driehoeksoverleg/concernstaf (voorzien van het opschrift "vertrouwelijk") d.d. 27 november 2006 (behandeld tijdens het vertrouwelijk deel van de vergadering van het raadspresidium d.d. 26 februari 2007) en - het verslag van het lokaal driehoeksoverleg/concernstaf d.d. 18 december 2006 (behandeld tijdens het vertrouwelijk deel van de vergadering van het raadspresidium d.d. 26 februari 2007) - via email verstuurd/verzonden naar, journalisten van de Tilburgse Koerier en het Brabants Dagblad - een groot aantal personen en omroepverenigingen en mediabedrijven en - overgenomen en/of bewerkt en/of verwerkt in een document en dat document (via email) naar zijn, verdachtes, webmaster (C. van Weert) verstuurd en die webmaster (C. van Weert) de opdracht gegeven om dat document te plaatsen op de voor gebruikers van internet toegankelijke en te raadplegen internetsite "www.lijstsmolders.nl" De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Het standpunt van de verdediging Er is sprake geweest van overmacht in de zin van noodtoestand danwel psychische overmacht. Er is sprake van een hetze tegen de eigenaar van een bekende Tilburgse disco. Verdachte heeft gehandeld zoals hij gedaan in het een maatschappelijk belang. Zijn functie als gemeenteraadslid brengt mee dat hij een naar zijn overtuiging bestaande misstand aan de kaak moet stellen. Verdachte is van oordeel dat alleen indien er een voldoende feitelijk fundament bestaat voor het uiten van een beschuldiging op grond waarvan overheidsmaatregelen worden overwogen, die uitingen in redelijkheid gerechtvaardigd kunnen zijn en dat het niet aangaat middels ongefundeerde suggesties of publicaties iemand in een kwaad daglicht te stellen. Vanuit die overtuiging heeft verdachte zich genoodzaakt gevoeld de desbetreffende informatie naar buiten te brengen. Voor verdachte was dit overigens een noodtoestand in de zin van een conflict van plichten, aan de ene kant de plicht om de opgelegde vertrouwelijkheid te eerbiedigen tegenover de plicht om in gegeven omstandigheden publiekelijk hard aan de bel te trekken. Hij heeft voor dat laatste gekozen hetgeen niet onbegrijpelijk is en in de gegeven omstandigheden te billijken valt. Verdachte kon geen weerstand bieden aan de drang om dit specifieke geval publiekelijk aan de kaak te stellen. Strafrechtelijk vertaald is dat overmacht in de zin van noodtoestand of noodtoestandexces danwel psychische overmacht en ontbreekt in alle gevallen de verwijtbaarheid van dat handelen zodat in dat geval ontslag van rechtsvervolging dient te volgen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat geen sprake is van noodtoestand of psychische overmacht omdat er andere mogelijkheden om het probleem aan te kaarten zonder daarmee in strijd met de wet te handelen Het oordeel van de politierechter De politierechter overweegt dat verdachte een voor hem bestaande rechtsplicht namelijk het geheim houden van als raadslid ontvangen vertrouwelijk informatie heeft geschonden omdat, zoals hij stelt, hij een misstand aan de kaak wil stellen, Het betreft hier dus een door hem gevoelde morele verplichting en geen conflicterende rechtsplicht. De politierechter is van oordeel dat het beroep op noodtoestand ten aanzien van feit 1 alleen al daarom niet opgaat nu niet is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Wat er ook verder zij van het standpunt van verdachte met betrekking tot het gemeentebeleid ten aanzien van horecaondernemers in het algemeen en één in het bijzonder, verdachte had zijn punt in het persbericht eenvoudigweg kunnen maken met weglating van de door hem geciteerde uitspraken van de ambtenaar in het vertrouwelijk overleg. Dat heeft verdachte immers daags daarop bij het indienen van nagenoeg dezelfde tekst als vragen ex artikel 47 ook gedaan. Verdachte treedt voorts niet in de publiciteit direct naar aanleiding van deze opmerkingen van de ambtenaar in het vertrouwelijk overleg en nadat hij om opheffing van de vertrouwelijkheid heeft gevraagd. Hij verwerkt deze vertrouwelijke informatie zonder directe noodzaak in een stuk naar aanleiding van twee strafzaken, waarachter hij een complot van de gemeente en justitie vermoedt. De publicatie van de citaten uit de vertrouwelijke notulen onder feit 2 betreft een reactie van verdachte op de aangifte van feit 1 door de gemeente Tilburg. Verdachte stuurt zijn persbericht de wereld in onder de titel: Vertrouwelijke stukken nu geheel openbaar na onterechte aangifte tegen raadslid [verdachte] uit Tilburg. Vervolgens concludeert verdachte ( zie bijv. pag. 302 van het dossier) dat hij fraude boven tafel heeft weten te krijgen en de veiligheid in het uitgaansgebied heeft gewaarborgd. Wat daarna volgt is moeilijk samen te vatten, maar uit de tekst valt niet objectief af te leiden dat deze is ingegeven door een noodtoestand in verband met de vermeende hetze tegen de horecaondernemer. Ook is niet voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, verdachte had hetzelfde kunnen zeggen zonder dit te illustreren met de gewraakte citaten uit deels al oudere verslagen. Een beroep op gewetensdrang of psychische overmacht wordt zelden gehonoreerd en dient ook hier te worden verworpen. Ook al had verdachte een innerlijke drang om zich de belangen van een ondernemer aan te trekken, verdachte is raadslid, gekozen binnen het democratisch bestel. Hij dient zich in beginsel aan de democratisch afgesproken regels te houden. Alleen al vanwege de conclusie dat de inbreuk op de geheimhoudingsverplichting niet nodig was kan de gestelde innerlijke drang van verdachte geen rechtvaardiging vormen voor de vastgestelde overtreding van de geheimhoudingsverplichting. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op waarvoor verdachte strafbaar is, 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 750,-- en voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging vindt dat verdachte al genoeg is gestraft door zijn arrestatie en acht indien er geen vrijspraak volgt een schuldigverklaring zonder straf of een kleine geldboete passend. 6.3 Het oordeel van de politierechter Het opleggen van de plicht tot geheimhouding is een beperking van de vrijheid van meningsuiting, maar niet van een willekeurig persoon maar een persoon ingeschakeld in het gemeentebestuur. Verdachte heeft alvorens in functie te treden beloofd of gezworen dat hij de Grondwet getrouw zal zijn, dat hij de wetten zal nakomen en zijn plichten als lid van de raad naar eer en geweten zal nakomen. Volgens de memorie van toelichting wordt met het begrip eer en geweten bedoeld plichtsbewust en getrouw aan de voorschriften, er dient niet alleen aan het eigen geweten te worden getoetst. Verdachte stond onder een geheimhoudingsverplichting. Na een eerder incident heeft verdachte ten overstaan van de raad beterschap beloofd, wat weer aanleiding vormde om toen geen aangifte te doen. Bij zijn inspanningen ten behoeve van Tilburgse horecaondernemers in het algemeen en één in het bijzonder is verdachte wederom over de schreef gegaan door publiekelijk te maken wat de gemeente voornemens was te doen met de horecavergunning en hoe groot de gemeente haar kansen inschatte. Verdachte wist dat dit zinnetje schadelijk was voor het gemeentelijk beleid op dit punt. Dat hij niet achter dit beleid staat vormt echter volstrekt onvoldoende reden om zijn geheimhoudingsplicht te schenden en het beleid dan maar op die wijze te schaden. Verdachte miskent hier zijn democratische rol als gemeenteraadslid. De politierechter rekent verdachte deze schending bijzonder aan nu hij zich volkomen bewust was van de schending van zijn geheimhoudingverplichting en hieraan ook maximale ruchtbaarheid heeft gegeven door verzending van zijn bericht aan talloze journalisten en redacties. Alleen de versie voor de griffier van de gemeente werd geschoond van de bewuste schadelijke passage. Ook hieruit blijkt dat het zonder die passage best kon en dat verdachte ook precies wist wat hij deed. Door zijn optreden heeft verdachte tevens de informatievoorziening over veiligheid zoals de meerderheid van het presidium die wel wenst, in gevaar gebracht Na de aangifte in verband met feit 1 heeft verdachte zich tot de media in de meest brede zin van het woord gewend door middel van een persbericht met als onderwerp: “Vertrouwelijke stukken nu geheel openbaar na onterechte aangifte tegen raadslid [verdachte] uit Tilburg”. In het bericht wordt uiteengezet wat er in het verleden over het wachtgeld en de horecaondernemer door verdachte naar buiten is gebracht en wordt weer geciteerd uit vertrouwelijke stukken. De politierechter kan gelet op het moment van naar buiten brengen van deze passages, de omschrijving van het onderwerp door verdachte en de overige inhoud van het persbericht niet anders concluderen dat deze berichtgeving niet uitsluitend was gericht op de belangen van horecaondernemers, maar vooral ook op de belangen van verdachte zelf, namelijk zijn reactie op de aangifte onder de aandacht van de media brengen. Hier is bijzonder kwalijk dat verdachte zijn geheimhoudingsverplichting overtreedt na de eerste aangifte en zeker deels uit eigen publicitaire belangen.. Mede gelet op wat in soortgelijke zaken is opgelegd, is een geldboete voor de beide overtredingen als gevorderd passend en geboden. Hierbij overweegt de politierechter dat de arrestatie niet al voldoende straf is. Verdachte had immers te kennen gegeven verder te gaan met lekken zodat ingrijpen volkomen gerechtvaardigd was. Met betrekking tot de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf overweegt de politierechter dat deze gelet op de herhaling van feiten, terwijl verdachte gewaarschuwd was, op zich zelf op zijn plaats is. Anderzijds dient verdachte als raadslid en fractievoorzitter in beginsel in het nieuws te kunnen treden zonder de dreiging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook wil de politierechter verdachte niet de gelegenheid bieden om te beweren dat hij door een voorwaardelijke gevangenisstraf is gemuilkorfd. 7 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 272 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8 De beslissing De politierechter: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 2 eerste en tweede liggende streepje tenlastegelegde Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 opzettelijk een geheim schenden, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, meermalen gepleegd; feit 2 opzettelijk een geheim schenden, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, meermalen gepleegd. - verklaart verdachte strafbaar; - veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,-- , bij niet betalen te vervangen door 15 dagen hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, politierechter, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 september 2007.